U bent hier

Verslag symposium vrijwilligers in de onderwaterarcheologie 24 november 2018

Joost Kuggeleijn (OCW) bespreekt de stand van zaken betreffende de Erfgoedwet en Arbo-regels.

Op zaterdag 24 november 2018 vond de vierde editie van het jaarlijks Symposium voor Vrijwilligers in de Onderwaterarcheologie plaats. Circa 80 sportduikers en professionals kwamen op uitnodiging van de RCE naar Amersfoort.

De dag werd geopend en begeleid door Jeroen ter Brugge, curator maritieme collecties bij het Rijksmuseum. Hij kondigde aan dat zowel wet- en regelgeving als onderzoek door de RCE en vrijwilligers aan bod zouden komen.

Het welkomstwoord werd verzorgd door Leonard de Wit (RCE; afdelingshoofd regio Noord-West). Hij benadrukte het ‘samenwerken aan goed beheer’, dat in de huidige tijd steeds complexer aan het worden is.  Momenteel werkt Hugo de Groot’s Mare liberum (1609), de ‘vrije zee’ veel ingewikkelder voor allerlei zaken dan vroeger het geval was en zal dit zeker nu de Brexit vorm krijgt verder veranderen. Met betrekking tot het onderwater erfgoed in Nederlandse wateren zijn er de afgelopen jaren meer restricties gekomen, maar verschillende overheden, bedrijven en vrijwilligers lukt het toch om  in toenemende en positieve mate samen te werken.

Terugkoppeling

Zoals elk jaar blikte Thijs Coenen (RCE; Maritiem Programma NL) terug op het vorige symposium en het afgelopen jaar. De thema’s van het 2017-symposium zijn nog steeds relevant en actief, waaronder de pilots van vrijwilligers, het benadrukken van transparantie van data-uitwisseling, en het praten met elkaar over allerlei zaken, zoals vindplaatsen die het de moeite waard zijn om onderzocht te worden.

Ook in 2018 verliep de samenwerking tussen vrijwilligers en professionals steeds beter. Er zijn meer vondstmeldingen gedaan (150) en de RCE heeft actief informatie terug gekoppeld. Daarnaast waren de kwartaaloverlegmomenten tussen STIMON, LWAOW en RCE productief. Ook is er een stijgende lijn te zien in het aantal rapporten dat wordt ingediend door vrijwilligersgroepen na het volgen van de theorie-en praktijkdelen van de cursus Onderwaterarcheologie voor het verkrijgen van het NAS-1 certificaat.

Daarnaast heeft de RCE het afgelopen jaar zelf een opgraving uitgevoerd op het scheepswrak HE_11_53, vlakbij Warder. Hierbij werd tevens een field school georganiseerd voor studenten onderwaterarcheologie. Het vrij grote (12 m.) ‘punter-achtige’ vaartuig met interessante constructie bevatte ook een aantal vondsten, waaronder een handzaag met inscriptie. Dendrochronologische monsters wijzen op een bouwdatum na 1536 AD. Muntgewichtjes uit het wrak zijn enkele decennia ouder. Er is een enkele afbeelding gevonden van een ‘gelijkend schip’ (Cornelis Anthonisz, 1544. ‘Gezicht op Amsterdam’), die er mogelijk op wijzen dat het om een lichter gaat.

Van het 3D-model dat de RCE had gemaakt, was zowel een hologram(gemaakt door Tijdlab) als een 3D-print (gemaakt door 3D Scan Solutions) te zien tijdens de pauzes.

Erfgoedwet en Arbo-regels

Joost Kuggeleijn (OCW) besprak de stand van zaken betreffende de Erfgoedwet en Arbo-regels. Er is voortgang geboekt op het Arbo-vraagstuk of  vrijwilligers en professionals in de toekomst samen mogen duiken. Op dit moment lijkt het mogelijk dat er een uitzondering voor vrijwilligers komt, lijkend op de uitzondering die al bestaat voor studenten. Vrijwilligers kunnen dan, net als studenten, als extra lid van een professioneel duikteam mee duiken. Ook zal, voor zowel vrijwilligers als studenten, duidelijker in de regelgeving worden opgenomen aan welke keuringen zij dan moeten voldoen en dat dat geen beroepsmedische keuring hoeft te zijn. Belangrijk is dat de uitzondering voor vrijwilligers gekoppeld is aan het doen van wetenschappelijk onderzoek. Commerciële toepassing is niet mogelijk. Een en ander zal verder worden uitgewerkt en ook worden besproken met de Stichting Werken Onder Overdruk, die namens de professionele duikbranche akkoord moet gaan..

Ook met de uitzondering op het opgravingsverbod is voortgang geboekt, zij het niet zoveel als we zouden willen. Vorig jaar is een aanpak geschetst die bestond uit het creëren van een generieke uitzondering voor zowel het meenemen van voorwerpen die acuut worden bedreigd als het meenemen van voorwerpen ter identificatie van een locatie. We hebben helaas moeten vaststellen dat deze aanpak niet langer haalbaar is. Dat heeft te maken met de volgende zaken:

  • een aantal incidenten die de roep om strenger toezicht hebben aangewakkerd.
  • de ontwikkelingen in de Javazee
  • de Tweede Kamer heeft gevraagd om een strengere aanpak door de minister
  • ook het Unesco 2001 verdrag stelt eisen aan de regelgeving
  • een generieke uitzondering zoals we die voor ons zagen sloot uit dat vrijwilligers ook andere onderzoekshandelingen zouden verrichten dan louter identificatie.

OCW is en blijft ervan overtuigd dat een actieve samenwerking tussen professionals en vrijwilligers een versterking is voor het maritiem erfgoed beheer. Wat OCW nu voor zich ziet zijn twee sporen:

  1. Maatwerk door middel van een ontheffing op het opgravingsverbod voor specifieke handelingen, zoals het identificeren van wrakken, maar dat kan wellicht ook voor andere, kleinere onderzoekshandelingen. In zekere zin is dit de aanpak zoals die voor de invoering van de Erfgoedwet bestond
  2. Verkennen of binnen de implementatie van Unesco 2001 toch een generieke uitzondering gemaakt kan worden voor het meenemen van voorwerpen die acuut bedreigd worden en anders het opzetten van een systeem waarin snel kan worden gehandeld wanneer maritiem erfgoed direct bedreigd wordt.

Aan de Tweede Kamer is voor dit voorjaar een brief toegezegd over toezicht en handhaving op maritiem erfgoed. Daarin zal deze aanpak nader worden uitgewerkt.  Daarbij moeten we steeds goed rekening houden met de bepalingen uit het verdrag Unesco 2001.

Wat voor OCW voorop staat is dat de samenwerking tussen professionals en amateurs op een goede en zorgvuldige manier moet worden vormgegeven. Daarbij moet gekeken worden  naar de juridische haalbaarheid en het draagvlak bij vrijwilligers, maar ook naar het draagvlak bij politiek en samenleving.

Vorig jaar is aangegeven dat er – zolang partijen handelen langs de lijnen van de voorgenomen uitzondering en de geldende wettelijke bepalingen – door OCW niet zal worden overgaan tot handhaving. In principe geldt dit nog altijd:

  • neem alleen iets mee als het echt niet anders kan:
    • als het object echt nodig is voor identificatie
    • als het een kwetsbaar object is dat direct dreigt weg te spoelen;
  • meldt altijd direct bij de RCE;
  • voor oorlogsschepen geldt, zonder toestemming vooraf, het look-don’t-touchprincipe;
  • bij twijfel: neem altijd contact op met de RCE.

UNESCO en duiken in NL

Saskia Franssen (OCW; projectleider implementatie ratificatie UNESCO 2001; Saskia.franssen@minocw.nl) vertelde over de ratificatie van het UNESCO 2001 verdrag (Convention on the Protection of the Underwater Cultural Heritage) die naar verwachting in de eerste helft van 2021 plaats zal vinden. Een reden voor ratificatie die vooral ook betrekking heeft op Nederlandse wateren is het toenemende aantal plunderingen en vernielingen van cultureel erfgoed onderwater. Andere redenen betreffen het maken van internationale afspraken en samenwerkingsverbanden over omgang, bescherming en behoud van cultureel erfgoed buiten territoriale wateren.

De verplichtingen die bij de ratificatie komen kijken, zijn

  • het optreden als coördinerende staat. Dit houdt onder andere in dat partijstaten maatregelen nemen tegen activiteiten in strijd met UNSECO 2001. Dit is van toepassing op het grondgebied (incl. zeehavens, kunstmatige eilanden, installaties en structuren),voor Nederlandse onderdanen en vaartuigen onder Nederlandse vlag.
  • het organiseren van publiekscampagnes over  de waarde van cultureel erfgoed onderwater.
  • het ontwikkelen en uitwisselen van kennis in onderwaterarcheologie.
  • Het inzetten van extra toezicht en handhaving
  • het aanpassen van wetgeving (Erfgoedwet, Omgevingswet en Wet Economische Delicten)

Met het oog op ratificatie zijn reeds een aantal maatregelen opgenomen in de Erfgoedwet, namelijk uitbreiding van de huidige meldingsplicht voor territoriale wateren en de aansluitende zone naar de EEZ, het continentaal plat en het Gebied. Dit geldt voor Nederlandse onderdanen en schepen onder Nederlandse vlag. Schending van de meldingsplicht is een economisch delict. Het opgravingsverbod is op dezelfde manier uitgebreid. Verder wordt onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van cultuurgoederen verboden of verhinderd, zoals al eerder vastgelegd in UNESCO 1970 (Convention on the Means of Prohibiting and Preventing the Illicit Import, Export and Transfer of Ownership of Cultural Property) en het burgerlijk recht. Het houdt verder in dat cultuurgoederen niet Nederland binnen gebracht mogen worden, wanneer afkomstig van het grondgebied van een andere verdragsstaat. Hieronder vallen de internationale wateren niet (EEZ en Gebied). Partijstaten leggen sancties op bij schendingen van de verdragen.

Maar wat houdt de implementatie van het Verdrag in voor vrijwilligers? Hier sprak Andrea Klomp (RCE, beleidsmedewerker Maritiem) over. Het is duidelijk dat de vrijwilligers in de onderwaterarcheologie een belangrijke bijdrage kunnen  leveren aan de doelen van het verdrag, namelijk (in toevoeging tot wat boven is gezegd)

  • het behoud van onderwater erfgoed met oog op wetenschappelijk onderzoek en publieke toegankelijkheid.
  • Behoud in situ  als eerste optie. Objecten mogen alleen meegenomen worden als het een bijdrage levert aan de bescherming van/kennis over onderwatererfoed.
  • Geen commerciële bergingen.
  • Samenwerking, training en kennisuitwisseling.

De regels van het Unescoverdrag zelf gaan vooral over verplichtingen van partijstaten onderling. De Annex van het Verdrag is voor vrijwilligers wel direct van betekenis. De Annex bevat  een kwalificatiestandaard voor archeologisch onderzoek onderwater die vergelijkbaar is met onze KNA.  In de Annex van het 2001 verdrag staat onder andere in  wat er in een plan van aanpak moet staan en dat het plan  goedkeuring vereist. Verder moet er bij onderwater opgravingen toezicht  worden gehouden door  een gekwalificeerde onderwaterarcheoloog. Ook de mensen in het team moeten gekwalificeerd zijn.  ). Deze regels gelden zowel voor professionals als voor vrijwilligers. We moeten dus kijken hoe vrijwilligers in de onderwaterarcheologie  hieraan kunnen voldoen. Een mogelijkheid die we onderzoeken  is om de Basiscursus Maritieme Archeologie (RCE/LWAOW), een NAS-equivalent, als kwalificatie te gebruiken.

Projecten vrijwilligers

Als eerste presenteerden Coen Onstwedder en Ernst Jongejan namens de Northsea Divers hun onderzoek ‘Anders duiken’ van 2017/18. Ze reageerden ‘niet blij’ op de Erfgoedwet in 2016, maar dat veranderde snel nadat in 2017 Johan Opdebeeck (RCE; Maritiem Programma NL) toenadering zocht met het idee van ‘onderzoeksgericht duiken’. De Northsea divers meldden een positie aan de RCE en kregen de mogelijkheid om een klein aantal vondsten uit het scheepswrak te halen ter identificatie. Aldus werd het wrak het ‘Koperhuidwrak’ genoemd. Er kwam terugkoppeling van de RCE, wat volgens andere duikers in het verleden nogal eens stroef verliep. De Northsea Divers namen deel aan NAS1 cursus, en sloten deze succesvol af. Ondertussen is de duikgroep vondstmeldingen – en kleine onderzoeken blijven doen.

Hierna besloten ze voor het  NAS2 certificaat onderzoek uit te voeren op de zogenaamde Mary Emma (DHY 704). Met een door de RCE goedgekeurd Plan van Aanpak werd het onderzoek begonnen. Er kwam (archief)onderzoek naar de locatie ten noordwesten van het Verloop van het Molengat. De DHY 704 zou een Engels houten schip zijn, vergaan in 1885. Er bleken echter stoomketels, een schroefas, en een stalen huid te liggen! Van de eerstgenoemde werden video’s gemaakt, die door Johan Opdebeeck tot fotogrammetriemodellen verwerkt werden.

Aan de hand van de locatie, de lengte en type motor kon  gericht archiefonderzoek plaatsvinden, en hieruit kwam een lijst van 4 mogelijke namen, namelijk de SS Dahomey (1878-80), SS Dragonfly (1883-9), SS Wandle (1883-93), en de SS Nord Lyset (1877). Het type motor bleek van Thomas Richardson & Sons te zijn, die ook bouwer was voor de motor van de Wandle. Een tegel uit het wrak trok de identificatie weer een andere kant op. Hij bleek afkomstig van een Deense tegelmaker, wat de Nord Lyset doet vermoeden.

Afgelopen oktober kwam dan toch de bel tevoorschijn, waarop de laatste identificatie-theorie bevestigd werd; het schip is de SS Nord Lyset. De rederij Norden bleek nog te bestaan, en er werd contact gezocht. Het bedrijf heeft vervolgens de media opgezocht en ook in Nederland kwam de vondst uitgebreid in het nieuws. De rederij blijft eigenaar en heeft op vraag van de duikers gezegd de bel terug te willen. Hij mag eerst nog wel gedurende twee jaar tentoongesteld worden in het KNRM museum in Den Helder (vanaf juli/aug. 2019), waar het verhaal verteld zal worden van de twee omgekomen redders bij ondergang van het schip. Uit een leuke film die later op de dag van het symposium te zien was, blijkt dat verder onderzoek volgt.

Als laatste onderdeel voor de lunch was de film over het ‘Poppetjeswrak’ te zien, waarin ontdekkingen en vondsten uit het verleden en de levensloop van het schip waren verwerkt. Samen  met prachtige onderwaterbeelden is deze film gemonteerd door Klaudie Bartelink.

Na de lunch werd de ‘Zoektocht naar de verloren schepen van moddergat’ gepresenteerd door Klaas Wiersma.  Dit NAS2 studieproject is uitgevoerd door Bas Kremer, Klaas Wiersma, Bert Kremer, en Ernie de Jonge in samenwerking met de Stichting Maritieme Archeologie.

De meest noordelijke vissershaven van Nederland, nabij het rif en de Engelsmanplaat, is berucht voor z’n grote scheepsrampen Een daarvan is ‘de ramp van Moddergat’ in 1883, waarbij 17 schepen zijn vergaan.  Het onderzoek richtte zich op de 3 schepen waarvan niets is teruggevonden. Een daarvan zou van het type blazeraak zijn. Een enkele reconstructietekening is gebruikt voor het onderzoek.

Voor dit onderzoek werd een projectplan en een Plan van Aanpak opgesteld, en na goedkeuring werd gestart met bureauonderzoek, inclusief websites en mensen die het gebied goed kennen. Met die informatie is een sonaronderzoek gestart en uiteindelijk kwam het tot duikend onderzoek. Hierbij kwamen soms verassende vondsten aan het licht, zoals 2 vliegtuigen, die met fotogrammetrie en 3D animatie ontsloten zijn voor publiek (‘Lezing op het wad’).  

Uiteindelijk werden twee onderzoeksgebieden vastgesteld, en er werd verder onderzoek gedaan naar een specifieke locatie, waar het ‘wrak van Mothoek’ ligt. Van een wrak werd vermoed dat het om een blazer zou gaan, afgeleid van de steven die bij laagwater boven water uitstak. Na terugkeer bleek het wrak bedekt te zijn, maar met prikpennen werd het weer gevonden. Verder onderzoek is voor nu niet mogelijk. SMA blijft informatie verzamelen en uitwisselen en in 2019 zal vervolgonderzoek plaatsvinden naar verschillende vondstplaatsen.

Programma Maritiem Erfgoed Nederland

Na deze inhoudelijke presentaties besprak Barbara Speleers (RCE; programmaleider Maritiem Erfgoed NL) het nieuwe programma dat tot eind 2021 zal duren. Dit programma is onderdeel van Erfgoed Telt! dat bestaat uit de drie delen: 1) instandhouding erfgoed, 2) erfgoed in de leefomgeving, en 3) de verbindende kracht van erfgoed. De instandhouding omvat ook aantasting door natuurlijke processen als erosie, en in die situatie is er geen ‘verstoorder’ die zou moeten betalen hiervoor. Vanuit het Rijk wordt nu bekeken wat hieraan gedaan kan worden, in samenwerking met verschillende partijen.

Na een onderbreking waarin Sinterklaas verkondigde dat de pakjesboot nu echt eens gevonden moet gaan worden vervolgde Barbara haar verhaal over de missie van het Maritiem Programma Nederland. Belangrijk om op te merken is dat er sinds dit jaar Maritieme Programma’s voor zowel de Nederlandse wateren zijn als de Nederlandse vaartuigen elders.

Het Programma NL 2018-2021 is opgedeeld in een aantal deelprojecten, namelijk:

  • Instandhouding maritiem erfgoed (voor betere kennis van de maritiem-archeologische voorraad en betere instandhouding van het meest waardevolle maritieme erfgoed).
  • Kennis en Kennisdeling (voor betere kennis van de maritiem-archeologische verwachting en het ontsluiten van de kennis aan doelgroepen).
  • Methoden en technieken (voor betere methodes en technieken en toepassing hiervan).
  • Archeologische monumentenzorg (voor hogere kwaliteit van de diverse stappen  in de AMZ-cyclus, een betere rolvervulling van de initiatiefnemers, een betere verankering van de zorg voor het maritiem-archeologische erfgoed in de ruimtelijke opgaven, en betere coalities met andere partijen  die staan voor de kwaliteit van de leefomgeving).
  • Beleidsagenda Noordzee (voor betere kennis van de maritiem-archeologische voorraad en betere verankering van de zorg van het maritiem erfgoed in de ruimtelijke opgaven, specifiek gericht op het prehistorisch landschap).
  • Vrijwilligers (meer professionele inzet van duikende vrijwilligers in de archeologie).
  • Capaciteitsopbouw (meer goed-opgeleide maritiem archeologen voor de arbeidsmarkt).

Project Wrakkenlijst

Na de tweede pauze volgde het Project Wrakkenlijst (en andere vindplaatsen) door Thijs Coenen en Seger van den Brenk (Periplus Archeomare). Voor de RCE is dit een onderdeel van een groter project, waarbij geïnventariseerd wordt welke vindplaatsen onder water bedreigd worden door zowel menselijke als natuurlijke processen . Hiervoor moeten een aantal stappen genomen worden. De eerste betreft de vraag; waar ligt het erfgoed? Als dat bepaalt is, wat is dan de archeologische waarde daarvan? En vervolgens, wat zijn de bedreigingen? Dit proces moet leiden tot besluiten over  welke vindplaatsen de RCE gaat onderzoeken of (fysiek) beschermen.

Er moet dus een afwegingskader opgesteld worden met criteria, zoals archeologische inhoud, politiek/publiek, (acute) bedreigingen, financieel, en duik-technische haalbaarheid. Gaat het om het verhaal van een wrak? Om een mooi duikobject? Om bereikbaarheid? Er worden momenteel al criteria gehanteerd, maar deze moeten uitgebreid en geformaliseerd worden. Hier is inspraak van vrijwilligers zeer gewenst. Er zal mogelijk een enquête naar hen uitgaan waarin zij deze mogelijkheid krijgen.

Onderzoek en bescherming van een aantal vindplaatsen die nu al bekend zijn blijft uiteraard doorgaan. De bestaande wrakkenlijst zal worden bijgewerkt, en (geofysische) gebieden waarop naar verwachting vindplaatsen aan het vrij spoelen zijn worden in kaart gebracht.

Aan de hand van dit verhaal volgde een vraag vanuit de vrijwilligers; Wat als na een officiële waardering de-selectie volgt? Hier is vanuit de RCE nog geen besluit over genomen. Een wrak zal niet zomaar worden vrijgegeven. Bovendien zijn er meer beheerders, zoals RWS, en eventuele eigenaren die ook zeggenschap hebben over een wrak.

Hierna vervolgde Seger over zijn rol binnen dit project, dat zich enkel richt op de scheepswraklocaties. Hij benadrukte de doelen van de lijst, zijnde het creëren van een overzicht voor belanghebbenden, een overzicht van ‘belangrijke’ wrakken, en het leggen van de basis voor toekomstig onderzoek en monitoring, en voor informatie-uitwisseling.

Voor de wrakkenlijst worden informatiebronnen gebruikt van de Dienst der Hydrografie, RWS, en de RCE. Er wordt geprobeerde de verschillende data voor alle wateren te koppelen, waarna het een NCN (Nationaal Contact Nummer) krijgt. Ook geborgen wrakken zullen op de lijst komen te staan. De eerste resultaten omvatten bijna 3000 unieke wrakken, welke met query’s te sorteren zijn op bijvoorbeeld ondergangsdatum (voor zover bekend) of het soort wrak (scheepswrak, vliegtuig, onderzeeër of onbekend)

De wrakkenlijst is een dynamische lijst, en er zal steeds nieuwe informatie bijkomen, bijvoorbeeld door samenwerking met vrijwilligers. De informatie wordt al en zal naar hen teruggekoppeld worden. Het is een project opgezet voor wederzijdse wisselwerking en vertrouwen. Delen van de lijst zijn aan te vragen bij de RCE en RWS. Om de gestelde vragen gezamenlijk te beantwoorden; bijnamen van wrakken staan ook op de lijst, en andere data zoals foto-en filmmateriaal is welkom. Momenteel staan er alleen overheidsdata in, maar data zoals die van wrecksite komt er mogelijk bij. Jaarlijkse monitoring-data van geomorfologie komt er sowieso bij. Sommige landen hebben soortgelijke lijsten, meestal opgesteld.

Afsluiting

Tot slot begeleidde Thijs Coenen de afsluiting, waarin een aantal vragen werden benatwoord:

1) Kan er een financiële vergoeding komen voor (duikend) onderzoek door vrijwilligers op een vindplaats? Johan Opdebeeck antwoordde dat er al gewerkt wordt met een onkostenvergoeding, maar dat de RCE geen opdracht kan geven tot een onderzoek, omdat dat  niet mag volgens de Arbo-wet.

2) Kunnen vrijwilligers mee-duiken op veldwerk van de RCE, net als in het Rooswijk-project? In Nederlandse wateren is dit niet mogelijk onder Arbo-wetgeving (hoewel hier dus mogelijk wel verandering in gaat komen, zoals Joost eerder op de dag vertelde). Vrijwilligers mogen bv. wel aanwezig zijn op het schip of archiefonderzoek uitvoeren en de RCE nodigt ze bij deze uit. Andersom mogen RCE-duikers niet meeduiken met vrijwilligers, zijnde Rijksambtenaar (zelfs niet buiten werktijd). Vrijwilligers gaven aan dat meer naar buitenlandse situaties gekeken zou kunnen worden.  De vrijwilligers beloofden volgend jaar weer terug te komen op het symposium.

Het symposium werd afgesloten met een borrel en hapjes. Medewerkers van de RCE hebben de dag als erg positief ervaren. Reacties, opmerkingen en vragen zijn welkom. Deze kunnen ook doorgegeven worden aan de STIMON, LWAOW, en RCE en zullen op hun gez

Reacties