U bent hier

Totstandkoming en achtergrond Handboek Duikprocedure

Net als anderen in Nederland die zich bezighouden met duiken of duikarbeid heeft de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed de verantwoordelijkheid om activiteiten onderwater volgens de bestaande regelgeving te organiseren. Toezicht op die regelgeving is in Nederland in handen van de Inspectie SZW. De expertise die de afgelopen decennia is opgebouwd en de huidige geoptimaliseerde werkwijze zijn vanuit het Maritiem Programma beschreven in de publicatie ‘Risico Inventarisatie en Evaluatie voor duiken’. De inhoud van deze RI&E wordt continu geactualiseerd en ook in 2017 wordt een update van deze versie gepubliceerd.

Sinds het begin van de jaren tachtig wordt in Nederland op rijksoverheidsniveau archeologisch onderzoek onder water uitgevoerd. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) heeft altijd een belangrijke rol gehad als het gaat om kennis over kwaliteit en uitvoering van duikactiviteiten als onderdeel van dat onderzoek onder water.

In eerste instantie dook een archeoloog mee met sportduikers en amateurarcheologen. Midden jaren tachtig ontstond het eerste duikteam van gespecialiseerde archeologen en technici bij het toenmalige ministerie van CRM, een van de voorlopers van het huidige voor cultuur verantwoordelijke ministerie van OCW. Deze ontwikkeling zorgde voor een intensivering van het duiken en de ontwikkeling van eigen methoden en technieken voor de uitvoering van archeologisch onderzoek in troebel water. Deze stap in professionalisering ging ook gepaard met toenemende risico’s, zoals ongelukken bij werk gerelateerde duikacties. Het standaardiseren van werkzaamheden, het inbouwen van veiligheidspunten en het opstellen van brevetteringseisen voor de duikers was een belangrijke stap om deze risico’s te verminderen. De basis van brevettering bleven nog altijd de eisen zoals gesteld in de sportduikerij. Die eisen zijn universeel en met name binnen de grootschalige opgravingen die eind jaren tachtig en begin jaren negentig werden uitgevoerd in Nederland gaf dit de mogelijkheid om de capaciteit van duikers en onderwaterarcheologen hoog te houden, omdat zowel sportduikers als archeologen uit het buitenland konden participeren in projecten die werden geïnitieerd door de voorlopers van de RCE.

Dit alles veranderde toen eind 1994 het ARBO besluit  ‘Arbeid onder Overdruk’ werd ingevoerd, ook wel bekend als het ‘Duikbesluit’. De consequentie hiervan was dat archeologen vanaf dat moment – omdat zij de werkzaamheden onder water als onderdeel van hun werk deden – alleen nog met beroepsduikpapieren mochten werken. Met een volledig professioneel duikteam werken betekent kwaliteitswinst, en in die zin werd met dit besluit ook aan efficiency gewonnen.  Maar verscherping van de regels betekende ook het een en ander voor het organiseren van duikactiviteiten, onder andere dat de kosten voor duiken omhoog zijn gegaan omdat er meer tijd en geld besteed moet worden aan administratieve verplichtingen. En duikacties organiseren met buitenlandse collega’s (die niet de Nederlandse duikpapieren bezitten) en amateurarcheologen (die sportduikbrevetten hebben) is lastiger geworden. Er is een artikel opgenomen in het duikbesluit waardoor het wel mogelijk is om in de praktijk studenten en buitenlandse collega’s mee te laten duiken, maar over het geheel genomen is de organisatie van het duiken door de verscherpte regels niet eenvoudiger geworden.

Bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed wordt nog altijd door archeologen gedoken naar wrakken en de resten van vroegere bewoning. In de afgelopen jaren is de vorm waarin dit gebeurt wel veranderd. Vlak na de invoering van het Duikbesluit is het toen al bestaande duikteam geprofessionaliseerd, waarbij de nadruk lag op het binnenshuis krijgen van alle expertise die met het beroepsduiken te maken had. Van 1997 tot 2006 was er een professioneel archeologisch duikteam actief vanuit de Rijksdienst. Veel aspecten van het archeologisch onderzoek onder water waren in deze periode nog volop in ontwikkeling. De inzet van dit team bood vooral de mogelijkheid tot het verrichten van veel veldwerk en kennisopbouw vanuit de praktijk. Dit duikteam werd opgeheven toen de Rijksdienst een organisatieverandering doorvoerde, mede ingegeven door de wijzigingen in het archeologisch bestel. De archeologiewetgeving na het invoeren van het Verdrag van Malta richt zich grotendeels op marktwerking en decentralisatie van bevoegdheden. Ook voor maritieme archeologie gold dat de blik meer naar buiten gericht moest worden en dat het niet langer mogelijk was om archeologische duikactiviteiten als ‘core business’ van de Rijksdienst te zien.

In 2012 werd het Maritiem Programma opgericht, met de opdracht om het beheer van maritiem erfgoed in Nederland een stevige basis te geven. Aandacht voor de kwaliteit van het duikwerk en de organisatie daarvan in samenwerking met anderen is een belangrijk onderdeel geworden van het programma. Bij het duiken ligt de nadruk op het wetenschappelijk werk. Er wordt met name geïnvesteerd in onderwater archeologen die naast het duikwerk zich ook met de uitwerking van de verzamelde data bezig kunnen houden. Daar waar nodig wordt extra duikcapaciteit ingehuurd.  

Bovendien ligt de focus vanuit het programma op samenwerking. De samenwerking met de beroepsduikwereld, maar ook die met andere wetenschappelijke duikers, amateurarcheologen, studenten en collega’s in het buitenland is essentieel voor het voortbestaan van de onderwaterarcheologie in Nederland.

Welke uitwerking en effecten hebben de verscherpte regels op deze samenwerking met anderen? Hebben we voldoende mogelijkheden om die samenwerking te optimaliseren zonder dat we daarbij gehinderd worden door de ongewenste effecten van verscherpte regelgeving? Deze publicatie bevat een uitwerking van de regelgeving in de praktijk en brengt de veiligheidsrisico’s in beeld, en helpt ons om samenwerkingen met stakeholders in de praktijk aan te kunnen gaan. Want aan iedere processtap in het cultureel erfgoed beheer onderwater waarbij gedoken wordt kleven risico’s. Kunnen deze risico’s worden verkleind? Wanneer is de opbrengst van een onderzoek het waard om die risico’s te lopen? Het werken in een niet eigen omgeving of met andere groepen met andere (duik)regels vergroot het risico op ongelukken. Zijn die ook te verminderen? Vanaf wanneer zijn die aanvaardbaar? Wat voor risico lopen we  bij het maken van diepe duiken? Dit zijn typische vragen die worden beantwoord in deze ‘Risico Inventarisatie en Evaluatie (RI&E) voor duiken’ van de RCE.

Het is een product van jarenlange arbeid waarbij iedere processtap in het duikwerk is opgetekend, geëvalueerd en vervolgens waar nodig is aangepast. Hiervoor is iedere keer de tot dan toe ontwikkelde versie meegenomen in het veld. Nu de RI&E af is, is aan ons ook de taak om continu veranderingen bij te houden. Een RI&E kan risico’s drastisch helpen verminderen, een stimulans zijn om werkzaamheden aan te passen en in ieder geval om bewuster met het werken onderwater om te gaan. Gezien de vele discussies die er in de afgelopen jaren zijn geweest in o.a. de beroepsduikwereld over wat wel en niet veilig is bij het duiken, maar ook vanwege het feit dat andere wetenschappelijke instituten met dezelfde uitdaging te maken hebben om ook met een RI&E voor het duiken te komen, hebben we vanuit het Maritiem Programma besloten deze versie te publiceren opdat anderen er gebruik van kunnen maken en inspiratie kunnen opdoen voor de ontwikkeling van een eigen RI&E. Bovendien is het een weergave van de deskundigheid die we de afgelopen jaren bij de Rijksdienst hebben opgebouwd als het gaat om archeologisch duiken. Het is dan ook onze hoop dat het een welkome bron is voor anderen, uit speciale interesse of uit noodzaak de veiligheid van het duiken te vergroten.

Meer informatie:

Reacties